2.1.6 Informatiedragers

Om informatie uit te kunnen wisselen, is het gebruik van een of meer informatiedragers (media) noodzakelijk.

Hoe doe ik dat?

  1. U gebruikt woord en gebaar, u communiceert via uw eigen gedrag
  2. U maakt gebruik van folders, kranten, radio en tv om een groot, maar anoniem publiek te bereiken. U gebruikt massamedia
  3. U maakt gebruik van internet, u communiceert interactief
  4. U werkt met sociale media
  5. U beseft dat ieder medium voor- en nadelen heeft en kiest voor een passende mix of blend
  6. U bent beducht voor de invloed van media op uw communicatie, u voorkomt vervorming of krommunicatie
  7. U weet dat u door de eigenschappen van de verschillende media te combineren uiterst effectief en efficiënt kunt communiceren. U denkt multimediaal.