2.7.3.3 Doelgroep

De doelgroep is het publiek waarop men zijn boodschap richt en afstemt. Wetenschappelijke presentaties verlopen anders als verkooppraatjes of publiekslezingen. Vrijwel alle presentaties hebben in grote lijnen dezelfde structuur, maar het is wel van belang om andere accenten te leggen.  

Hoe doe ik dat?

  1. U begint met inleiding om iedereen bekend te maken met u als spreker, de bedoeling van het verhaal en de take home message
  2. U houdt deze inleiding kort en bondig, maar een casus, anekdote of een controverse is handig om de aandacht te focussen op uw verderre verhaal 
  3. U behandelt in het eerste deel van uw verhaal de probleemstelling, de stand van zaken betreffende het onderwerp en waarom het hier op de agenda staat. Recente berichten uit de media of uit de onderzoekswereld zijn hiervoor een ideale kapstok. De probleemstelling moet uitmonden in een duidelijk omschreven vraagstelling waarop uw verdere betoog betrekking heeft
  4. U zorgt er voor dat de tweede kern van uw voordracht ingaat op de wijze waarop u tot uw betoog bent gekomen. Publiekslezingen zijn op dit punt kort omdat de autoriteit van de spreker vaak garant staat voor een voldoende kennnis van zaken
  5. Uw derde kern bevat een aantal opties of verkregen resultaten van uw denkwerk. Zeker als er sprake is van cijfermateriaal is bij dit gedeelte van de voordracht het gebruik van visuele hulpmiddelen onontbeerlijk 
  6. U vierde kern behelst uw conclusie of voorstel. Het is een goed gebruik om deze kern te beginnen met nogmaals de vraag- of probleemstelling te noemen
  7. U vat vervolgens uw betoog nog eens samen, waarbij u ook wat suggesties doet voor verder onderzoek of voor de toepassing van uw aanbevelingen in de praktijk
  8. U beantwoordt tot slot eventuele vragen, indien daar gelegenheid toe is.