4.16.3.1 Journalistiek

Het stellen van zogenaamde journalistieke vragen, een handig hulpmiddel om te onthouden hoe men zijn publiek snel en grondig informeert, is vooral nuttig om feiten en meningen van elkaar te onderscheiden.

Hoe doe ik dat?

  1. U vraagt wat er precies misloopt. Wat is het hoofdprobleem en wat zijn de bijkomende problemen? Bijvoorbeeld in de zorg: er worden bepaalde taken niet uitgevoerd en zowel patiënten als medewerkers zijn daarover geïrriteerd
  2. U gaat na wie er bij het probleem zijn betrokken? Wie brachten het probleem in, over wie gaat het en wie gaat het nog meer aan? Zijn er één of enkele centrale personen aan te wijzen? Wat zijn de diverse belangen in dit spel?
  3. U gaat na waar het misgaat. Ontstaat het probleem op verschillende plaatsen en/of in verschillende situaties of is er een duidelijke plaats of situatie aan te wijzen?
  4. U vraagt wanneer het mis gaat/ging? Sinds wanneer en onder welke omstandigheden speelt het probleem? Is het éénmaal of meerdere malen mis gegaan? Is het probleem plotseling ontstaan of is het geleidelijk aan erger ge­worden?
  5. U onderzoekt waarom het misgaat? Hierbij worden de mogelijke oorzaken op een rijtje gezet. Probeer daarbij onderscheid te maken in: gedrag van afzonderlijke personen, bijvoorbeeld nalatigheid of gebrek aan deskundigheid; interactie tussen personen, bijvoorbeeld onduidelijke afspraken, competen­tiestrijd, antipathie; toevallige samenloop van omstandigheden, bijvoorbeeld vakantietijd, nieuwe medewerkers; structurele omstandigheden, bijvoorbeeld te hoge werkdruk, gebrek aan mid­delen, onduidelijke taakstellingen
  6. U gaat na hoe men er tot nu toe mee omging. Welke oplossingen zijn al geprobeerd en waarom werken ze niet?